GRIP
Inleiding
Een goede coördinatie tussen betrokken hulpdiensten is bij de bestrijding van complexe incidenten van groot belang. Het model voor de Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure (GRIP) voorziet in deze behoefte.
De GRIP procedure kan worden gestart indien er sprake is van (grootschalige) ongevallen, (grootschalige) branden of rampen, waarbij één van de leidinggevende functionarissen op officiersniveau van een betrokken dienst duidelijk de behoefte heeft aan een gestructureerde coördinatie.

Om in zowel de dagelijkse situatie als in een volledig opgetuigde rampbestrijdingsorganisatie in de coördinatiebehoefte te kunnen voorzien is er een operationele en bestuurlijke opschalingsystematiek. Hieronder wordt een beeld gegeven van deze systematiek en een indicatie van de reikwijdte van het incident waarvoor een bepaald GRIP-niveau wordt afgeroepen.

GRIP 0 (routinematig, monodisciplinair optreden)
De GRIP wordt voorafgegaan door de normale dagelijkse situatie en werkwijzen, hier aangeduid als routine. Elke dienst werkt monodisciplinair, volgens eigen regels en procedures. Het incident is puur lokaal van aard met enkel een ad hoc coördinatiebehoefte bij de diensten ter plaatse, ook wel motorkapoverleg genoemd. De voorlichting over het incident gebeurt door elke dienst afzonderlijk, volgens eigen procedures. Per incident is wel een primair verantwoordelijke dienst in het kader van de voorlichting aangewezen.

GRIP 1 (Bronbestrijding)
Indien het incident puur lokaal van aard is en een duidelijke coördinatiebehoefte bij de diensten ter plaatse vraagt, wordt het CoPI opgestart. De diensten werken ter plaatse van het incident multidisciplinair. De nadruk ligt op het sturen van operationele processen ter plaatse. De voorlichting wordt namens alle diensten gezamenlijk geregisseerd door de CoPi-persvoorlichter vanuit de politie. Het is bij deze coördinatiefase toegestaan om ter plaatse door een meetploeg onder leiding van een Adviseur Gevaarlijke Stoffen (AGS) eventueel een enkele bronmeting te laten verrichten. Een Ambtenaar van de gemeente sluit aan en de burgemeester wordt geïnformeerd.

GRIP 2: (Bron- en effectbestrijding)
Wanneer het incident uitstraalt naar de omgeving werken de diensten multidisciplinair samen en vindt er tactische afstemming plaats. Hiervoor wordt een Regionaal Operationeel Team (ROT) actief. De burgemeester van de getroffen gemeente wordt geïnformeerd door de operationeel leider van het team en kan via de ambtenaar openbare veiligheid de benodigde gemeentelijke processen laten opstarten. Ook kan hij besluiten verder op te schalen en het opperbevel in te kleden. In dat geval treedt automatisch GRIP 3 in werking.

GRIP 3: (Bedreiging van het welzijn van (grote groepen van) de bevolking)
Indien er bij een incident sprake is van problemen ten aanzien van zowel bron, effect als bevolking is er sprake van GRIP 3. Bij deze fase maakt de burgemeester gebruik van zijn bevoegdheden volgens de Wet rampen en zware ongevallen en wordt er gehandeld conform (onderdelen van) het rampenplan. De gemeentelijk beleidsteam wordt bijeen geroepen om de burgemeester bij te staan bij zijn beslissingen op strategisch niveau. Op tactisch niveau wordt een volledig regionaal operationeel team en een gemeentelijk managementteam in werking gesteld. Operationeel is in dit geval de hoogste alarmstatus bereikt. De Commissaris van de Koningin van de provincie wordt gewaarschuwd.

GRIP 4: (Gemeentegrensoverschrijdend, eventueel schaarste)
Als het incident of de effecten daarvan meerdere gemeenten bedreigt kan worden opgeschaald naar de hoogste bestuurlijke alarmstatus; dit vraagt om afstemming tussen de verschillende gemeenten. Meerdere gemeentelijke beleidsteams kunnen bij het incident betrokken zijn. De bestuurlijke afstemming geschiedt door een coördinerend burgemeester. In de diverse gemeentelijke beleidsteams is desgevraagd een vertegenwoordiger aanwezig namens het ROT voor het afstemmen van de lokale bijstandsbehoefte en het bewaken van een juiste eenduidige beeldvorming. De coördinerend burgemeester krijgt ondersteuning van het Regionaal Beleidsteam (RBT)

Informatie aanvragen | Tel. 053-431 10 60 | info@talentontwikkeling.com


 Informatie aanvragen                   Zoeken